De studiecommissies - CDT
In augustus 1922 werd een studiecommissie geïnstalleerd om de problemen van de nieuwe grensverdediging te onderzoeken. De CDT(Commission de Défense du Territoire of Commissie voor de Landsverdediging) kwam in maart 1923 met een rapport, dat in grote lijnen het concept voor de landsverdediging schetste.
- De basis voor de verdediging van Frankrijk kan zijn:
- De grensgebieden moeten voorzien worden van een adequate uitrusting om de legers hun defensieve en offensieve rol te laten vervullen.
- Deze gebieden moet voorzien worden van een permanente fortificatie. Dit is een herhaling van de opvattingen van 1919.
- De vijand (lees: Duitsland) kan binnen vallen langs de volgende invalsroutes
- via Luxemburg en het Moezeldal
- via Lotharingen
- tussen de Vogezen en de Rijn
- langs Belfort
De eerste twee mogelijkheden vereisten een goede fortificatie van het industriegebied van Briey-Thionville-Metz. Het Saargebied bleef een probleem, want pas in 1935 zou bij een referendum bepaald worden bij welk land dit gebied zich zou aansluiten.(De keuze viel op Duitsland, wat weer een nieuw probleem opleverde).
Langs de grens met het geallieerde België was het ook niet evident om daar een verdedigingslinie te bouwen. Het idee van de versterkte regio's werd geïntroduceerd in tegenstelling tot een ononderbroken linie.
In hoofdstuk V van het rapport van de CDT valt het volgende te lezen:
- Alle mechanische perfectie die gerealiseerd kan worden, moet tot het uiterste gebruikt worden.
Twee soorten opstellingen werden voorzien:
- opstellingen waarin hoog geperfectioneerde wapens staan, die bediend worden door gespecialiseerd personeel
- opstellingen waarin het veldleger in geval van versterking zijn wapens kan plaatsen
- De versterkte regio's die al in vredestijd worden opgebouwd, kennen de volgende infrasctructuur:
- een commandostructuur met waarnemingsposten, commandoposten en een communicatienetwerk;
- een vuurbarrage die door de grote en kleinere werken (in het vervolg ouvrages genoemd) wordt onderhouden. De grote ouvrages liggen op een onderlinge afstand van maximaal 3 à 5 km. Ze moeten uitgerust worden met snelvuurwapens die enerzijds de intervallen en accessen moeten verdedigen (kanonnen, houwitsers, mortieren en mitrailleurs) en anderzijds de directe omgeving en het terrein op het ouvrage met granaatwerpers en zware en lichte mitrailleurs).
De tussenliggende ouvrages moeten de continue barrage van mitrailleurvuur onderhouden, zowel frontaal als flankerend in de intervallen tussen de ouvrages.
- "Abri's" (schuilplaatsen) voor de reservetroepen;
- loopgraaflinies tussen de ouvrages
Het principe van het eenheidsfort werd verlaten, gezien de vele nadelen van een dergelijke opstelling. Er moest een nieuw ontwerp gemaakt worden.
Vanwege een opstand in Marokko verliet maarschalk Pétain Frankrijk om persoonlijk de gevechtsoperaties aldaar te gaan leiden. In juni 1924 kwam het linkse kartel aan de macht en het rapport van de CDF verdween in de bureaulade; het hele project kwam zo tot stilstand.
In september 1925 werden er vragen in de Senaat gesteld over de voortgang van de studies voor de verdediging van Frankrijk. Men kwam tot de conclusie dat er na 6 jaar nog geen concrete plannen
op tafel lagen en dat er hoognodig iets gedaan moest worden.
Na de terugkomst van Pétain in Frankrijk nam de Opperste Oorlogsraad op 15 december 1925 het volgende besluit:
De grenzen zullen met een defensief systeem beschermd worden. Er komen versterkte gebieden, verdedigd met permanente versterkingen en veldtroepen, die gescheiden worden door vrije zones.
Deze pagina is voor het laatst gewijzigd op donderdag 19 augustus 2021